De kerk

De parochiekerk van St.-Dionysius en St.-Genesius te St.-Denijs en haar kunstschatten

De Sint-Dionysius- en Sint-Genesiuskerk heeft een lange ontwikkelingsgeschiedenis.  De absis van de kerk van +/- 1200 en is opgetrokken in laat-romaanse stijl.  Het gebouw was snel te klein om de kerkgemeenschap te herbergen en er werd dan ook permanent uitgebreid.  Het voorste deel van de middenbeuk, met lichtvensters boven de traveeën, dateert uit de 13 de eeuw; de O.L.Vrouwekapel uit de 14 de eeuw; de noordelijke beuk uit de 15 de eeuw en de zuidelijke uit de 16 de eeuw.   In 1761 bouwde men de sacristie.  In 1833 werd de kerk over geheel haar breedte naar het westen verlengd met 9 meter, namelijk 2 vensters en 2 traveeën.  1918 bracht zware beschadigingen met vernieling van de toren door de Duitse troepen.  De restauratiewerken duurden tot 1926.

De kerk bestaat hoofdzakelijk uit Doornikse veldsteen, blauwsteen en baksteen.  De oudste delen van de kerk zijn sedert 1939 geklasseerd als monument.

 

St.-Denijs heeft twee kerkpatronen: Sint Dionysius en Sint Genesius.  Dit is een zonderling geval, niet alleen omdat er twee zijn, maar omdat St.-Denijs in het Frans Saint Genois wordt geheten.  Lange tijd heeft men die twee vereenzelvigd omdat de parochie deel Vlaams en deels Doorniks was: de Vlamingen verkozen Dionysius, de “Walen” de tweede benaming.

Sommige geleerden kunnen tot op heden moeilijk aannemen dat deze parochie onder de bescherming van twee patroonheiligen stond.  Hiervoor is er volgens hen maar één verklaring: de twee namen werden met elkaar verward, wat vroeger heel vaak voorkwam (cfr. Arnoud en Arnulf, Bertolf en Bartolomeus enz.).  Verwarring, die nog in de hand werd gewerkt door de mouillering van de d naar dzj in Dionysius.

Toch vermelden de vier oudste schrijfwijzen voor St.-Denijs alleen “Sancti Genesii” (1156, 1175, 1203 en 1217).  Daarna hebben de oude bronnen het afwisselend over “Sti Dynonisii” (1230), de “St. Genois” (1234), “Saint Genois” (1304) en “Sen Denijs” in 1331.  In de kerkrekening van 1400 staat te lezen: du dit lieu de St. Genois; de kercke van Sendenys.  In het bewaard gebleven brevier van pastoor Gonton (1468-1481) staat het Genesiusfeest aangetekend als zijnde van eerste klasse (25 augustus).  St.-Dionysius wordt gewoon als “simplex” aangeduid (9 oktober).

Uit historische bronnen lijkt het op zijn minst onzeker dat de ene naam een verbastering of een verfransing zou zijn van de andere.

Dionysius.  Ongetwijfeld gaat het hierbij om de eerste Parijse bisschop, de gezel van Piatus, die samen met een aantal leerlingen halfweg de derde eeuw in Parijs vermoord werd.  Latere verhalen verwarren deze Dionysius met de Aeropagiet, een leerling van Paulus.  Dat hij onthoofd werd op de Mont des Martyrs (Montmartre), waarna hij nog twee mijlen ver zou gelopen hebben met zijn hoofd in zijn hand, is een van de vele legenden der “heilige cephalophoren (hoofddragers, zoals Livinus, Justus, Lucianus, St. Odile, Oelbert en veel anderen), die in Keltische landen heel bekend waren.  Zij moeten als “christianisatie” beschouwd worden van de Gallisch-Keltische schedelcultus.

Genesius. In de hagiografie zijn er twee bekend die hun feestdag kregen op 25 augustus: de Romeinse mimespeler die te Rome de marteldood stierf in de derde of vierde eeuw. Maar dit is historisch onzeker.  De andere, Genesius van Arles, een martelaar uit de vierde eeuw, eveneens onthoofd.  Genesius van Arles heeft echter in de legendevorming, de eigenschappen van de Romeinse Genesius gekregen: de toneelspeler. Toch is hij een historische heilige die patroon werd van verschillende lokaliteiten in Frankrijk.  Eigenlijk was hij een soort notaris of griffier, die te Arles als christen vermoord werd.

Twee vroeger bestaande afbeeldingen van de H. Genesius verdwenen uit onze parochiekerk.  Een houten borstbeeld, met een zwaard in de nek, verhuisde destijds van de rommelzolder naar de brandstapel.  Twee andere bleven bewaard.

St.-Dionysius en St.-Genesius zijn ook naast elkaar afgebeeld in een kerkraam van het rechter zijkoor (1959).  De een houdt zijn hoofd in de handen, de ander zijn masker.  Zij worden aanroepen tegen keelpijnen en allerlei hoofdklachten.

DE KERK EN HAAR BOUWGESCHIEDENIS

Deze kerk kende een bewogen geschiedenis.  Vaak werd zij veranderd, vooral vergroot; vaak ook beschadigd en vernield: zowel door de nabijheid van de eens fel bevochten bisschoppelijke vesting van Helkijn (1410; 1476), door de verwaarlozing ervan op het einde van de godsdiensttroebelen (in 1599 de kerkzolder in), alsook gedurende de negenjarige oorlog (1688-1697) of door de verkoop van alle kerkbezittingen en een deel van de inboedel gedurende de Franse Revolutie.

Tenslotte leed de kerk in 1918 de zwaarste schade uit haar geschiedenis. Een Duitse soldaat stak op 21 oktober het vuur aan de lont en veroorzaakte een geweldige verwoesting.  In zijn val sleepte de toren de beuken en zijkapellen mee, zodat slechts de muren en enkele pijlers overeind bleven.

De bouwgeschiedenis kan men globaal in acht fazen indelen:

  1. De Romaanse kerk: omstreeks 1200.

Het ging om een bescheiden kerk, zonder toren, zonder kapellen of transept. Het bestond uit een rechthoekige koorruimte, die in het Oosten eindigde op een halfronde, nog bestaande Romaanse absis en een benedenkerk die drie traveeën telde.  Dit laatste kan men afleiden uit de nog bestaande bovenlichten, geplaatst in de as van elke travee.  Die bovenlichten zijn, zowel van binnen als van buiten, voorzien van schuine dagkanten.  De halfronde koornis is, samen met deze van St.-Baafs-Vijve, een zeldzame bouwvorm die bij ons weinig navolging kreeg.  De buitenwand van de koornis wordt door platte steunberen in vijf traveeën verdeeld.

Een uitspringende plint, waarop de steunberen rusten, loopt rond de absis.  Binnenin de kerk zijn de resten van de Romaanse middenbeuk bewaard, maar in fase twee verbouwd.  Het zijn de enorme pijlermuren waarop later de massieve toren in een voeggotische stijl werd opgetrokken.  Een transept heeft de St.-Denijse Kerk eigenlijk nooit gekend.

2. Toren en Kapellen

Fase twee omvatte de bouw van de vierzijdige toren (3,35 x 5,15m).  Daarvoor werden de koormuren doelmatig versterkt met zware steunen.  Over de oorspronkelijke bovenbouw is weinig bekend.  In 1486 werd in de Grandvalbos (bestaand bos, rechts op de weg naar Kooigem) een eik geveld, nodig voor het dekken van de naald.  In 1535 werd een torenhuis geplaatst nadat het belfort was vernieuwd.  Er hingen toen drie klokken.  Reeds in 1476 bezat St.-Denijs een torenuurwerk.  Het moest door de koster onderhouden worden.  Nog voor de afwerking van de toren in de vijftiende eeuw werd afgewerkt, bestonden er vroeger al de twee zijkapellen.

De O.-L.-Vrouwkapel is tge vinden in het noordoostelijke deel van de kerk. De doorgang van de kapel naar het koor, onder de toren, bestaat uit een weinig uitgesproken spitsboog: voeggotisch van stijl en 4 meter breed, opgetrokken uit onregelmatige stukken Doornikse steen.  De kapel zelf dateert uit de veertiende eeuw.  In de loop van de geschiedenis kreeg het gebouwtje altijd veel aandacht.  De Zuidelijke St.-Dionysius-kapel is van een latere datum: einde veertiende – begin vijftiende eeuw.  De doorgang heeft een scherpere spitsboog dan van de eerste kapel en is slechts 3,34 m breed; de stenen hebben een regelmatige vorm.

De kerk had dus aan weerszij (en zuid de absis) twee afzonderlijke kapellen, maar een kruiskerk was het oorspronkelijk niet.  De “transepten” werden niet terzelfdertijd gebouwd, zijn van ongelijke grootte, hebben spitsbogen en liggen zelfs niet in elkaars verlengde.  Zowel de bouw als de stenen verschillen te veel van elkaar.  Gedurende diezelfde fase werd de kerk wel tot een soort kruiskerk omgebouwd.  Dit gebeurde o.m. door de oorspronkelijke vierkante steunen te vervangen door ronde pijlers, zodat de openingen veel wijder werden.

3. Hallenkerk.

Deze fase omvat de bouw van de Noorderbeuk (vrouwenkant), in mooi-gehakte Doornikse steen en dateert uit de vijftiende eeuw.  De Zuiderbeuk (mannenkant) werd in baksteen opgetrokken. De zijdeur op het Zuiden, met witsteen omspannen, werd reeds vermeld in 1599.

Zo werd de eigenaardige “kruiskerk” tot een hallenkerk omgeschapen, met drie gelijke beuken naast elkaar, alle drie afzonderlijk bekapt, alle drie even hoog.  De bovenlichten van de oorspronkelijke kerk werden evenwel bewaard.µ

4. Westportaal

In zijn geschiedenis van St.-Denijs, spreekt pastoor S. Deseure over “een gaanderij en de schonen voorgevel” (p62), die in 1833 werd gesloopt.  Hij heeft het over de Westgevel en het Westportaal, met de oude, aanpalende ronde traptoren.  Dit portaaltje dateert van voor 1480, want in dat jaar moest het versterkt worden.  Tijdens de zestiende eeuw was het nog afgedekt met stro.

5. Verbouwingen en sacristie.

Hoewel men in 1684 bij de tiendheffers verzoekschriften om de kerk te vergroten had ingediend – het aantal inwoners steeg gestadig te St.-Denijs – zouden de bouwplannen toch nog een hele tijd op zich laten wachten.  De toren en de beuken had men al moeten verankeren.  In 1692 werden bvb. zes abelen geveld en tot daktegels verzaagd om de toren helemaal te herdekken.

In 1761 werd de buitenbouw van de St.-Dionysiuskapel in het verlengde van het kerkschip gebracht: eigenlijk werd ze gesloopt, maar dan in oost-westelijk richting herzet. In hetzelfde jaar werd de sacristie opgetrokken aan de oostzijde van die kapel. D eze “fase” werd in 1765 afgewerkt met de bouw van een nieuw belfort, die vier jaar later reeds voltooid was.

6. Vergroting.

In 1833 werd de kerk over heel haar breedte, naar het Westen toe, met negen meter verlengd (2 vensters, 2 traveeën).  In +/- dezelfde stijl als de rest van de kerk kwamen er twee neo-romaanse bovenlichten boven de nieuwe traveeën.  De muren kregen Doornikse steen aan de noordkant en baksteen aan de zuidkant.  De verlenging omvatte ook een nieuwe doopkapel aan de noordelijke beuk, terwijl de “vonte” vóór die tijd eigenlijk aan de tegenovergestelde kant stond.

7. Restauratie

Vanaf 1858 zocht men naar middelen om de oude kerk helemaal af te breken. De ontwerpen van P. Croquison zouden voor een “fonkelnieuwe” en veel grotere kerk zorgen, die vooral naar het Oosten toe zou worden uitgebreid.  De aanbesteding had plaats op 13 december 1859.  Maar door de plaatselijk beruchte kerkhofhistorie en de tot in het nationaal parlement toe besproken “Affaire de St. Genois”, kwam van de nieuwbouw niets in huis.

Vanaf 1870 werden wel verbeteringswerken uitgevoerd.  De steunberen aan de muren van de Noordkant werden afgebroken en het portaal veranderd.  De Fransen namen rond de jaren 1800 de top van de toren af voor de installatie van een seintoestel (de telegraaf van Cl. Chappe), als onderdeel van de telegraaflijn Rijsel-Brussel. Deze installatie te Sint-Denijs dateerde van 1804.  In 1814 werd ze door geallieerden reeds afgebroken.  Maar de herbouw van de torennaald zou nog aanslepen tot 1887.  Een elektrische horloge was er al in 1873.

8. Na de eerste wereldoorlog

Na de dynamietering van de kerk in 1918 werd ze naar de vroegere vorm herbouwd, met uitzondering van de toren, die een meer passende dakvorm kreeg, en de Dionysiuskapel, waar men de oude dakvorm opnieuw aanbracht.  Het geheel was afgewerkt in 1926.  Sedertdien gebeurden er geen noemenswaardige herstellingen meer.

9. Aan deze ingewikkelde bouwgeschiedenis van de Sint-Dionysiuskerk voegen wij – volledigheidshalve – nog een paar gegevens toe:

a. Omdat de bodem rond de kerk hoger lag dan de vloer, moest men in 1739 een dorpel plaatsen om het water tegen te houden.  Hetzelfde probleem waarmee de deur aan de noordzijde in 1990 nog altijd mee te kampen had.

b. De vloer van de kerk, lag door de vele begrafenissen in de kerk zelf, steeds opnieuw in een verwaarloosde toestand.  Hij moest hersteld worden in 1658, 1702, 1727, … en zo tot het ogenblik (1779) waarop alle begravingen in de kerk verboden werden.  In de oude kerkrekeningen zijn minstens een honderdtal mensen bij name vernoemd, die binnen de muren van deze kerk “ter aarde werden besteld”.

c. Zoals overal bevond het kerkhof zich rond de kerk.  In ruil voor de nieuwbouw van de kerk in 1860 wilde de gemeente Sint-Denijs een nieuw kerkhof buiten de bebouwde kom.  Dit werd het zogenaamde “geuzenkerkhof” (ook delfhof en burgemeestersveld geheten) in de Rode Wilgenstraat.  Na tien jaar religieus en politiek geruzie tussen de kerkfabriek en de gemeenteraad, waarin twee besschoppen van Brugge alsook Hendrik Consciense, de toenmalige commissaris van de politie te Kortrijk, werden betrokken, na een zevental brandstichtingen, talrijke betichten, verdachtmakingen en veroordelingen … zodat de kwestie Sint-Denijs herhaaldelijk ter discussie kwam in het parlement en opschudding verwekte in heel het land … werd het kerkhof rond de kerk behouden tot deze in 1986-88 definitief werd overgeplaatst naar de Helkijnstraat, dicht bij de Vierabeelen.  De kerkomtrek werd heringericht als groene zone.  Het kruisbeeld van het oude Geuzenkerkhof werd in dat nieuwe geheel geïntegreerd. O Tempora, O Mores!

MEUBILERING

Hoofdaltaar.

Vervaardigd uit wit marmer en in de kerk geplaatst in het jaar 1939.  Links en rechts van het tabernakel zijn twee houten medaillons aangebracht, met houtsnijwerkjes in vergulden kader: links een tafereel van Jezus’ val onder het kruis en rechts de kruisafneming van Jezus.  Deze stukjes dateren uit de zeventiende eeuw en zijn van een verfijnde sculptuur.

De massief koperen kandelaars op het altaar, eveneens daterend uit de zeventiende eeuw, zijn aan de voet versierd met engelenkopjes.

Kapel van O.-L.-Vrouw.

Het tabernakelbeeldje van O.-L.-Vrouw, met scepter en kind op de linkerarm, is een geschilderd beeld uit het begin van de achttiende eeuw.  Ook de tabernakeldeurtjes met kelk, omringd door engelenkopjes stammen uit diezelfde tijd.

In 1476 is in de bronnen al sprake van het “onzer vrouwen autaer taffel”.  Maria moet hier in de tijd zeer innig zijn vereerd, aangezien er al in 1629 sprake is van de broederschap van de H. Rozenkrans “inghestelt in de kercke van St.Denijs ten autaere van onse lieve Vrouwe der selver kercke”.  Het tegenwoordige altaar zou men mogelijks kunnen situeren in 1689, toen Joos de Cantere werd aangesproken om “het maeckern ende nederen van O.L.Vrouw autaer”.

Kapel van St.-Dionysius.

Het arduinen altaar stond tot in 1938 in het hoogkoor. De koperen etsen onder de altaartafel stellen de offeranden van Abel, Abraham en Mechisedech voor.  Op het altaar staat een gepolychromeerd beeld van de H. Dionysius uit hout.  Het dagtekent uit de negentiende eeuw.  Verschillende koperen kandelaars op dit altaar zijn, net als deze in de sacristie, van de zeventiende en achttiende eeuw.

Biechtstoelen

De twee voorste biechtstoelen zijn de mooiste sieraden van de kerk.  Pieter Surmont schonk ze aan de St.-Michielskerk te Kortrijk in 1714.  Het is echter mogelijk dat de biechtstoel van de noorderbeuk reeds dateert van eind zeventiende eeuw.  Waarschijnlijk dagtekent hij van 1691 en werd het kunstwerk bekostigd door de weduwe Jacob Surmont in Kortrijk.  Na de opheffing van de Jezuïetenorde te Kortrijk in 1755 moeten deze stukken door de kerk van Otegem zijn aangeworven.  Op één of andere wijze liet pastoor Foulon (1881-1908) ze na zijn aanstelling overbrengen van Otegem naar St.-Denijs.

Het middenvlak van de biechtstoel aan de noordzijde is geflankeerd door twee beelden: links de Ecce Homo (Jezus na de geseling, met mantel en rietstok, maar zonder doornenkroon) en rechts Maria, de moeder van smarten.  Het fronton van deze eiken sculptuur is een fries met voorstellingen van vogels, engeltjes en druiven en een cartouche met Jezus’ monogram, gedragen door bazuinschallende engelen.  De rugpanelen zijn versierd met cartouches van wapenschilden.

De biechtstoel aan de Zuidkant is eveneens afkomstig van de Jezuïetenkerk van Kortrijk: de datum 1714 is erin gegraveerd.  Bekostigd door priester Pieter Surmont.

Het fronton met fries draagt een cartouche met de initialen van de H. Ignatius van Loyola, stichter van de Jezuïeten, geflankeerd door engeltjes met trompet, vogels, druiven enz. en een cartouche met de initialen van de H. Franciscus Xaverius, de eerste missionaris van dezelfde orde.  Het middenvlak is op dezelfde manier geflankeerd door de mooie beelden van genoemde heiligen.  De rugpanelen dragen cartouches met wapenschilden.

Orgel

Het oude orgel, waarvan in de bronnen reeds sprake is in de zestiende eeuw, werd in 1666, in opdracht van de toenmalige deken, naar het kasteel van Helkijn overgebracht.
De huidige orgelkast, met versiering van guirlanden en bekroond met een trofee van muziekinstrumenten, is afkomstig uit de Jezuïetenkerk van Kortrijk.  Het is uit eik vervaardigd en in 1775 naar hier overgebracht.  Het meubel dateert uit de zeventiende eeuw.

Schilderijen

De kerk kon zich vroeger beroemen op een reeks schilderijen: het hoogaltaar was in de zeventiende eeuw versierd met een werk van Jan de Koninck, gedateerd 1627. Volgens een kerkrekening van 1739 schilderde J.B. Roose vier doeken: de offerande van Isaak, de offerande van Kain en Abel, Paulus’ bekering en Petrus’ penitentie.  In die tijd kostten ze samen 108 ponden.  Zij werden ingelijst door Philippus de Pré.  Maar al deze werken gingen verloren.

Na de Franse omwenteling werden vier andere schilderijen aangeworven uit de inboedel van de kerd van Otegem.  Dit gebeurde door pastoor Moenens (1817-1851).  Het ging om een voorstelling van de Doortocht door de Rode Zee, de Oprichting van de Koperen Slang, Jezus in gesprek met de Samaritaanse vrouw en de Overspelige Vrouw.   De twee laatste ervan gingen verloren bij de ontploffing van de kerktoren in 1918.  De eerste twee konden hersteld worden.

Ondertussen kwamen er een paar andere schilderijen bij: Jezus ondervraagt de schriftgeleerden, een Piëta met engelen, O.L.-Vrouw onbevlekt ontvangen (19de eeuw), en O.-L.-Vrouw middelares voor de zielen van het vagevuur, (19de eeuw).

Merkwaardig nu is, dat, volgens het repertorium van het ministerie (1979), de vier eerste schilderijen, alle gesigneerd zijn: Nikolaas De Liemaecker, gezeid Roose.  De Doortocht, de Koperen Slang en Jezus en de Schriftgeleerden zijn merkwaardige stukken en zouden eventueel van een zelfde hand afkomstig kunnen zijn.  Wat de Piëta betreft: het werk is niet zo voortreffelijk en van een donker, eerder primitief palet.

Nikolaas De Liemaecker werd in Gent geboren in 1601 en is ook daar gestorven in 1644.  De man is nauwelijks 43 jaar geworden.  Zijn vader was glasschilder. Roose was een leerling van Rubens en van Van Veen.  Te Gent werd hij als meesterschilder aanvaard in 1624 en was er deken van de gilde in 1626 tot 1636.  Hij werkte o.m. aan het hof van de bisschop van Paderborn, kon daar niet goed aarden en keerde vlug naar Gent terug.
Hij maakte samen met Gaspard de Craeyes twaalf grote tableaux ter gelegenheid van de blijde intrede van de kardinaal-Infant Ferdinand te Gent.  De St.-Niklaaskerk in Gent bewaart van hem o.m. de Barmhartige Samaritaan en De Val der Engelen.  In andere Gentse kerken zijn er andere werken bewaard.  Ook het museum van schone kunsten te Brugge bewaart een paar schilderijen van zijn hand: De heilige Familie, De Verheerlijking van Maria, enz.

De doopvont

In de doopkapel achter aan de kerk staat een arduinen vont die men tot in de zestiende eeuw laat opklimmen: de vorm ervan laat zelfs een oudere datum toe.  Het koperen deksel dateert slechts van 1930 en volgens een inscriptie op de rand is zij een gift van burgemeester Hervé Samain.  Eveneens een gift van burgemeester Samain is het brandraam achter aan de vont: deze stelt pater Alidor Samain (1879-1952) voor, missionaris in het voormalige Belgisch-Congo.

Beeldhouwwerk

Het beeld “het Geloof”, op sokkel met engelenkopjes (in hout, begin achttiende eeuw) en rechts van het dienstdoende hoofdaltaar.  Links daarvan: “de Hoop”, eveneens op sokkel met engelenkopjes en daterend uit dezelfde tijd, is van dezelfde hand.  Het derde beeld is waarschijnlijk verloren in de puinen van 1918.  Wij merken de levende beweging in deze sculpturen, maar ook de wanverhouding tussen de hoofden en de rompen van deze beelden.

Vooraan links in de kerk staat een Heilig Hart beeld van beschilderd hout.  Het dateert uit de jaren 1880-1890 en werd in 1990 door een parochiaan geschonken aan de kerk.  Het is een sculptuur van Jan Baptiste van Wint, een man die waarschijnlijk in 1835 te Antwerpen werd geboren en in Brussel stierf in 1906.  Hij beeldhouwde bas-reliëfs, kalvaries, biechtstoelen en afzonderlijke heiligenbeelden voor kerken in Antwerpen, Oostende, Mechelen en Luik.  Samen met J.B. De Boeck werkte hij o.m. aan het koorgestoelte van de kathedraal in Antwerpen.

In de sacristie bewaart men een prachtig kruisbeeld op sokkel, met een engeltje.  Vermoedelijk dateert het werk uit eind zeventiende eeuw.  Het werd in 1989 vakkundig gerestaureerd

Twee medaillons, waarschijnlijk afkomstig van de oude preekstoel, zijn eveneens zeventiende eeuw werk.  Het ene stelt de H. Marcus voor, evangelist, met leeuw.  Het andere de H. Johannes met arend.

Een kleine beeldengroep stelt een reliëf voor van de H. Dionysius die tot bisschop wordt gewijd.  Het is gevat in een gebeeldhouwde lijst met een oud pauselijk wapenschild.  Achttiende eeuw.  Boven de staande klok merkt men nog een klein beeld van de H. Dionysius van Parijs, in gepolychromeerd hout, eveneens uit de 18de eeuw.

Cultusvoorwerpen

  • Een altaarlessenaar in verzilverd metaal (18de eeuw) wordt bewaard in de sacristie.  Daarop is het brevier gelegd van pastoor Alardus Gonton (1468-1481): een handschrift uit de late middeleeuwen, evenwel niet versierd en zonder miniaturen.
  • Een schaal met wijn- en water-ampullen, vervaardigd door Charles De Hondt II en daterend uit 1656.  Gemaakt van zilver en een paar maal gerestaureerd.
  • Een chrismathorium is van Philip Devos; bekroond met wereldbol, met gedagtekende eigendomsinscriptie van de kerk: 1760.  Eveneens uit zilver.
  • Naast een kleine ciborie uit de zeventiende eeuw, staat er in de brandkoffer een hoge ciborie (56 cm) Frans Delattre gemaakt uit 1726.  De cuppa vertoont in reliëf engelenkopjes. Gedeeltelijk verguld zilver.
  • Een kelk, cuppa en greep met engelenkopjes met merken: Doornik, M en een gekroond hart dateren uit de eerste helft uit de zeventiende eeuw.  Vervaardigd uit verguld zilver.  Daarnaast zijn er nog twee zilveren kelken, waarvan een uit de eerste helft en de andere uit de tweede helft van de achttiende eeuw.
  • Een zilveren reliekhouder van de H. Dionysius, de Aeropagiet van Athene, is gemaakt in de vorm van een torenmonstrans en dateert uit de 17de eeuw.  De reliek zelf is slechts van 1766.  Op deze reliek-monstrans zijn links en rechts gegraveerde voorstellingen van de HH. Dionysius en Genesius te merken.
  • Een zilveren wierookscheepje met eigendomsinscriptie van de kerk op de voetrand, is van de zeventiende-eeuw.  Een ander zilveren wierookscheepje draagt op het deksel een gegraveerde voorstelling van de H. Dionysius, wat Hollandse merken (1814-1831) en een niet geïdentificeerd merk.  Ook het zilveren wierookvat vertoont op de voetrand de eigendomsinscriptie van de kerk op de voetrand.  17de eeuw.
  • Twee neogotische torenmonstransen worden bewaard  De grootste (61 cm hoog) is gemaakt voor Bourdon van Gent, met een beeldje van het H. Hart en dateert van ca 1900.  Verguld zilver.
  • Van de negentiende-eeuwse monstrans is de stam uit massief zilver.  Stralen en cartouche met Lam: verguld koper.
  • Tenslotte zijn er nog een zestal reliekhouders bewaard, allen uit de achttiende eeuw.  Verschillende massief-koperen kandelaars, waarvan een paar uit de zeventiende en uit de achttiende eeuw.